Ga eens op zoek naar de vele verschillende planten in onze gemeente, kruiden die er van nature voorkomen. Je hoeft alleen maar te kijken in de bermen langs de wegen, in de bossen, aan de akkerranden en zelfs tussen de straat- en stoepstenen. Elke plant is interessant; onkruid is maar een verzonnen woord. Als jij je er een beetje in verdiept, dan gaan die Beekse planten nóg meer leven. En ook in de winter is er nog genoeg te zien.

door Kees van Kemenade

Tussen de Tilburgseweg en de N269 heeft zich in de loop der tijd een mooi natuurgebied ontwikkeld. Er wordt nog wat aan akkerbouw gedaan, maar op de meeste plekken krijgt de natuur alle kansen. De Roodloop stroomt er doorheen. En omdat het tot de laagste gedeelten van de gemeente behoort, is het er altijd vochtig.

Nat en veel slootjes, dan groeien er beslist lisdodden. Op zoek naar deze plant die vooral in het winterse seizoen opvalt. Daar groeit riet, maar tussen de rietstengels zijn de bruine aren vol met zaden en pluis van de lisdodden mooi te zien. Met hun pluis zitten ze vast aan de stengel, in een vorm die veel op een sigaar lijkt. Wij spraken nooit over lisdodden, maar over rietsigaren. Toen de mensen nog zelf voor alles moesten zorgen en men olielampen gebruikte voor de verlichting, werd de sigaar gebruikt om de glazen buis van de lamp schoon te maken. Daarom was een andere naam voor deze plant: de lampenpoetser.

De bladeren van de lisdodden zitten net als bij een prei strak tegen de stengel. Je zou hem kunnen eten, maar omdat het een echte waterzuiveraar en veel ongewenste stoffen met het vocht opzuigt, moet je dat maar nalaten. Een lisdodde gedijt goed als het water voedselrijk is en hij ook wat zon krijgt. Dan vormt hij stevige wortelstokken, waaruit steeds meer nieuwe scheuten uit oprijzen. Een vaste plant dus.

In het voorjaar, wanneer het voedsel voor vogels schaars is, pluizen bijvoorbeeld mezen de sigaren helemaal uit. Dan vinden de rietsigaren hun einde.

In ons waterrijke land is de lisdodde niet zeldzaam, je komt hem vrijwel overal tegen. Er zijn bij ons plekken waar wij hem liever niet zien, namelijk de vennen. Die moeten voedselarm zijn en gevuld met mooi helder water. Groeien ze daar wèl, dan is er iets goed mis; het ven is door een oorzaak van buitenaf voedselrijk geworden.